Meteen naar de inhoud

Vertaling Metamorfosen Ovidius [eindexamen Latijn 2023]

  • Alan Tseng
  • 6 reacties

Hieronder vind je vertalingen van de teksten uit de Metamorfosen van Ovidius die leerlingen moeten vertalen en leren voor het eindexamen Latijn 2023.

Inhoud

Battus’ verraad gestraft [Metamorfosen 2.680-707]

Dat was de tijd, waarin een herdershuid jou bedekte en een landelijke herdersstaf een last was van je linkerhand, een herdersfluit een last was van je andere hand ongelijk wat betreft zijn zeven rieten pijpjes. En, terwijl liefde jou bezighoudt, terwijl jouw herdersfluit jou kalmeert, worden de koeien vermeld onbewaakt rond te hebben gedwaald in de Pylische velden. De zoon van Atlas dochter Maia (Mercurius) ziet deze en hij verbergt de weggevoerden in de bossen met de hem eigen sluwheid. Niemand had deze diefstal bemerkt behalve een oude man bekend in die streek (de hele buurt noemde hem Battus); hij beschermde de grasrijke dalen en de grasrijke weilanden van de rijke Neleus en bewaakte als bewaker de kudden van nobele merries.

Deze hield Mercurius tegen en hij nam hem met zijn vriendelijk hand terzijde en hij zei tegen hem: “Wie je ook bent gast, als iemand toevallig zal vragen naar deze kuddes, ontken te hebben gezien; opdat er niet geen beloning voor je daad terug wordt betaald, neem een glanzende koe als cadeau.” en hij gaf het. Nadat de koeien waren ontvangen gaf de gast deze woorden terug: “Laat jij veilig gaan; die steen zal eerder over jouw diefstal spreken.” en hij wees een steen aan.

De zoon van Jupiter (Mercurius) deed alsof weg te gaan; hij kwam spoedig terug en nadat hij vorm veranderde tegelijk met zijn stem zei hij: “Boer, als jij enige koeien hebt gezien langs dit pad gaan, breng hulp en neem het stilzwijgen weg van de diefstal: een koe zal jou worden gegeven verbonden met haar stier.” En de oude man, nadat de prijs is verdubbeld, zei: “Zij zullen aan de voet van die bergen zijn (en ze waren aan de voet van de bergen.) De zoon van Atlas (Mercurius) lachte en zei: “Jij verraadt mij aan mij, trouweloze, jij verraadt mij aan mij?” En hij veranderde de meinedige man in harde steen, die ook nu nog verklikker wordt genoemd en de oude slechte naam is in de niet verdiende steen.

Aglauros gestraft voor haar afpersing [Metamorfosen 2.797-835]

Semele bedrogen door Hera [Metamorfosen 3.256-315]

Juno woedend en jaloers op Semele [Metamorfosen 3.256-272]

Alleen de echtgenote van Jupiter spreekt zich niet zo uit of zij afkeurt of goedkeurt, veel meer verheugt zij zich op de ramp voor het huis afgeleid van Agenor en zij brengt de haat, verzameld vanaf de Tyrische minnares (Europa) over op haar metgezellen van afkomst. Kijk, een recente reden komt op bij een eerdere reden, zij is namelijk verdrietig dat Semele zwanger is uit het zaad van de grote Jupiter; terwijl zij haar tong voor scheldwoorden losmaakt, heeft zei ze: “Wat eigenlijk heb ik bereikt al die keren door middel van scheldpartijen? Zij moet zelf door mij aangevallen worden; ik zal haar te gronde richten als ik terecht met grootste Juno word genoemd, als het past dat ik de fonkelende scepter in mijn rechter hand vasthoud, als ik de koningin en de zus en de echtgenote van Jupiter ben, zeker zus. Maar, wie weet, zij is tevreden met de diefstal, en het onrecht voor onze slaapkamer (huwelijk) is kort. Zij is zwanger (dat ontbrak er nog maar aan) en ze draagt in haar volle buik duidelijk zichtbaar haar misdaden en zij wil moeder van alleen Jupiter worden, wat mij nauwelijks is overkomen: zo groot is het vertrouwen in haar uiterlijk. Ik zal maken dat het vertrouwen in haar gedaante haar bedriegt, ik ben niet de dochter van Saturnus als zij niet in de golven van de Styx zal binnendringen, door haar Jupiter zelf ondergedompeld.”

Semele misleid door Juno [Metamorfosen 3.273-286]

Na deze woorden stijgt zij van haar troon en verborgen door een goudgele wolk gaat zij naar de drempel van Semele, eerder verwijderde zij de wolken niet, dan dat zij een oude vrouw nabootste en zij zette op de slapen grijzen haren en zij doorploegde het huid met rimpels en zij bewoog de gebogen ledematen met trillende pas; zij maakte ook haar stem eigen aan een oude vrouw en zij was precies als Beroe, de voedster van Semele uit Epidaurus. Dus, zodra zij bij de naam van Jupiter zijn gekomen nadat ze druk in gesprek zijn geraakt door lang te praten, zuchtte zij en ze zegt: “Ik hoop, dat het Jupiter is, ik vrees echter alles; velen zijn kuise slaapkamers binnengegaan onder de naam van goden. Het is echter niet voldoende dat hij Jupiter is, laat hij bewijs van zijn liefde geven, als hij tenminste echt is en vraag dat hij jou zo groot en zodanig omhelzingen geeft, hoe groot en hoedanig hij door de hoge Juno ontvangen wordt en dat hij zijn herkenningstekens voor jou neemt”

Semele’s wens tot Jupiter [Metamorfosen 3.287-296]

Juno had de onwetende dochter van Cadmus met dergelijke woorden gevormd; zij vraagt Jupiter zonder iets te noemen om een geschenk. Tegen haar zei de god: “Kies! Je zal geen afwijzing ontvangen. En, opdat je des te meer gelooft, moet de goddelijke macht van de stroom van de Styx ook getuige zijn, die god is zelfs de angst van de goden.” Semele zei, verheugd met het slechte en al te zeer de situatie beheersend en te zullende omkomen door de toegeeflijkheid van haar minnaar: “Zoals de dochter van Saturnus gewend is jou te omarmen wanneer jullie beginnen met het verdrag van Venus, geef je zo aan mij.” De god wilde de lippen van de sprekende dichthouden: de stem was al overhaast naar buiten gegaan onder de luchten.

Jupiter vervult haar wens; Semele’s dood [Metamorfosen 3.297-309]

Hij zuchtte, noch kan zij niet gewenst hebben, noch kan hij niet gezworen hebben. Dus steeg hij zeer bedroefd naar de hoge hemel en hij trok met een sombere blik opeenvolgende wolken met zich mee, waaraan hij regenbuien en bliksemschichten vermengd met windslagen en donderslagen en de onvermijdelijke blikseminslagen toevoegde. Toch, voor zo ver hij kan, probeert hij aan zichzelf de krachten te ontnemen en hij bewapent zich niet met dat vuur, waarmee hij de honderdarmige Typhoeus neer had geworpen; er is te veel wildheid daarin. Een andere bliksemschicht is lichter waaraan de rechterhand van de Cyclopen minder van woestheid en minder van vlammen en minder van woede toevoegde; de goden noemen ze tweederangswapens. Hij heeft die gepakt en hij gaat het huis van Agenor binnen; het sterfelijke lichaam verdroeg de hemelse tumult niet en zij is verbrand door haar huwelijkscadeaus.

Bacchus’ geboorte [Metamorfosen 3.310-315]

Vanuit de buik van de moeder wordt het nog onvoldragen kind ontrukt en hij wordt teder (als het waard is te geloven) in de vaderse dijbeen ingenaaid en hij maakt de tijd van de zwangerschap af. Ino de zuster van de moeder brengt die heimelijk groot in de wieg; daarna hebben de Nyseische nimfen het gegeven(e) (kind) verborgen in hun grotten en zij gaven voedingen bestaande uit melk.

Hera misleid door Echo; misverstand tussen Echo en Narcissus [Metamorfosen 3.351-401]

Narcissus wijst elke liefde af [Metamorfosen 3.351-358]

Want de zoon van Cephisus (Narcissus) had aan drie keer vijf een jaar toegevoegd en hij had gezien kunnen worden als een jongen en een jongeman. Vele jongemannen, vele meisjes begeerden hem; maar (een zo harde trots was in zijn tedere schoonheid) geen jongemannen, geen meisjes hebben hem aangeraakt. Hem, ziet de babbelende nimf, angstige herten opjagend in netten, die niet zwijgt bij iemand die spreekt, die niet zelf eerder leerde spreken, de weergalmende Echo.

Een flashback: Juno’s bestraffing van Echo [Metamorfosen 3.359-369]

Echo was nog een lichaam, niet een klank en een tamelijk praatgrage persoon, toch had zijn geen ander gebruik van haar stem dan zij nu heeft, zodat ze de laatste woorden van vele woorden kon teruggeven. Dit had Juno gedaan omdat zij (Echo) bewust de godin met een lang gesprek vasthield, toen zij (Juno) de nimfen die vaak onder haar Jupiter lagen op de berg kon betrappen, opdat intussen de nimfen vluchtten. Nadat de dochter van Saturnus (Juno) dit had gevoeld, zegt ze: “Een kleine macht over deze tong, waarmee ik voor de gek ben gehouden, zal jou gegeven worden en zeer kort gebruik van de stem en zij bekrachtigt de dreigementen met daden; zo herhaalt deze slechts stemmen van anderen bij het eind van spreken en zij weerkaatst de gehoorde woorden.”

Echo verliefd op Narcissus [Metamorfosen 3.370-389]

Dus toen zij (Echo) Narcissus zag over afgelegen velden rondzwervend begon zij te gloeien, zij volgt zijn voetsporen heimelijk en hoe meer zij hem volgt, wordt zij heet bij de dichterbij komende vlam, niet anders dan wanneer licht ontvlambare zwavel rondom gesmeerd om de toppen van fakkels erbij vlammen grijpt, nadat ze (de vlammen) erbij zijn gebracht. O hoe vaak wilde zij met vleiende woorden dichterbij komen en met zachte smeekbeden aanheffen! Haar aard verzet zich noch staat haar aard toe dat zij (Echo) begint; maar wat haar aard wel toestaat, zij is gereed te wachten op geluiden, waarnaar zij de klanken moet weerkaatsen. Toevallig had de jongen, gescheiden van zijn trouwe groep van metgezellen, gezegd: “Is er iemand aanwezig?” en “aanwezig” had Echo geantwoord. Hij is verbijsterd, en zodra hij zijn blik in alle kanten heeft gezonden, roept hij met een grote stem: “kom!” ; zij roept de roepende.

Hij gaat door en hij zegt, bedrogen door het beeld van een andere stem: “Laten wij hier samenkomen”, en Echo die aan geen enkel geluid ooit liever zou antwoorden bracht terug: “Laten we samenkomen.” en zij steunt zelf haar woorden en zij ging, nadat zij het bos had verlaten om haar armen te slaan om de begeerde hals.

Echo’s liefde onbeantwoord [Metamorfosen 3.390-401]

Hij vlucht en vluchtend zegt hij: “Verwijder je handen van de omhelzingen; liever zal ik sterven, dan dat jij macht over mij hebt.” Zij bracht niets terug behalve: “moge jij macht over mij hebben”. Afgewezen verbergt zij zich in de bossen en beschaamd bedekt zij met bladeren haar gezicht en vanaf die tijd leeft zij in eenzame grotten. Maar toch blijft de liefde steken en hij groeit door het verdriet over de afwijzing; wakende zorgen verzwakken haar deerniswekkende lichaam en magerheid trekt haar huid samen en in de luchten verdwijnt al het vocht van haar lichaam. Slechts een stem en botten zijn over: haar stem blijft, ze zeggen dat haar botten de vorm aannamen van een steen. [Daarvandaan verbergt zij zich in bossen en ze wordt op geen enkele berg gezien, door iedereen wordt zij gehoord; het is de klank, die leeft in haar.]

Pyramus en Thisbe: dood door misverstand [Metamorfosen 4.55-166]

N.B. Dit verhaal wordt verteld door één van de Minyaden, de dochters van koning Minyas. Zij weigeren mee te doen aan de Bacchusfeesten en vertellen elkaar thuis verhalen, waarschijnlijk terwijl ze spinnen.

Het begin van de romance [Metamorfosen 4.55-80]

Pyramus en Thisbe, de één de mooiste van de jongemannen, de ander verkozen boven de meisjes die het Oosten had, bewoonden aangrenzende huizen, waar Semiramis wordt gezegd de hoge stad (Babylon) met bakstenen muren te hebben omringd. Het feit dat ze buren waren veroorzaakte de kennismaking en de eerst toenaderingen; met de tijd groeide de liefde. Met het recht van de huwelijksfakkel hadden zij zich ook verbonden, maar de vaders verboden het; wat zij niet konden verbieden, beide brandden in gelijke mate, nadat hun zielen waren bevangen.

Iedere getuige is afwezig; met een hoofdknik en met gebaren spreken ze, en hoe meer het wordt bedekt, des te meer laait het bedekte vuur op. De muur gemeenschappelijk aan beide huizen was gescheurd door een dunne spleet, die hij eens heeft opgelopen, wanneer hij gebouwd werd. Dit gebrek over lange tijden door niemand opgemerkt, (wat voelt de liefde niet?) hebben jullie, liefdes, als eerste gezien en jullie hebben het tot een weg voor jullie stem gemaakt, en lieve woordjes hadden de gewoonte veilig met zeer kleine gefluister van de één naar de ander door dat (gebrek) over te steken.

Vaak, telkens wanneer Thisbe hier stond, Pyramus daar, en beurtelings was de adem van hun mond opgevangen, zeiden zij, “Jaloerse muur, waarom belemmer je geliefden? Hoe veel moeite zou het zijn, dat je toestond dat wij met het hele lichaam worden verenigd? Of, als dat te veel (moeite) is, tenminste, dat je open stond voor het geven van kussen. Maar wij zijn niet ondankbaar; we geven toe dat we jou te danken hebben, omdat naar de bevriende oren een toegang voor woorden is gegeven.” Zulke dingen tevergeefs uit de verschillende woonplaatsen gezegd hebbend, zeiden zei onder de nacht, “Vaarwel” en ieder gaf zijn deel (van de muur) kussen, die niet aan de andere kant aankwamen.

Een geheime afspraak [Metamorfosen 4.81-92]

De volgende zonsopkomst had de nachtelijke vuren weggehaald en de zon had berijpte grassen met zonnestralen gedroogd: zij kwamen naar de gewone plek. Toen, met klein gefluister hebben zij besloten, eerst veel geklaagd hebbend, dat zij in de stille nacht proberen de bewakers te bedriegen en uit de deuren te gaan, en wanneer zij het huis zullen hebben verlaten dat zij ook de daken van de stad verlaten. En opdat er niet door de wandelenden rondgedwaald moet worden over een breed veld, dat zij afspreken bij de graven van Ninus en dat zij schuilen onder de schaduw van een boom; er was een boom daar, zeer rijk aan witte vruchten, een hoge moerbeiboom, grenzend aan een koude waterbron. De afspraken bevallen; en het licht, gezien te verdwijnen, stort zich langzamerhand in de wateren en de nacht vertrekt uit dezelfde wateren.

Thisbe ontsnapt [Metamorfosen 4.93-104]

De slimme Thisbe gaat naar buiten door de duisternis nadat de scharnier is gedraaid en zij bedriegt haar bewakers en gesluierd wat betreft haar gezicht bereikt zij de grafheuvel en zij zit onder de afgesproken boom; de liefde maakte haar dapper. Kijk, een leeuwin komt, besmeurd wat betreft haar schuimende bek met recente bloed van koeien, om haar dorst te lessen in de golf van een naburige fontein; die Babylonische Thisbe ver weg zag bij de stralen van de maan, en zij vlucht met bange voet in een donkere grot, en terwijl zij vlucht, liet zij de van haar rug naar beneden gegleden sluiers achter. Zodra de woeste leeuwin haar dorst in vele golven lest, terwijl zij terugging in de bossen verscheurde zij de dunne mantels toevallig zonder haarzelf (zonder Thisbe) gevonden met haar bebloede mond.

Pyramus komt te laat [Metamorfosen 4.105-127]

Pyramus, nadat hij te laat naar buiten was gegaan, zag duidelijke voetsporen van een beest in het mulle zand, en hij verbleekte met zijn hele gezicht; zodra hij echter ook de met bloed gekleurde kledingstuk had gevonden, zei hij: “Eén nacht zal twee geliefden doden, van wie zij het meest een lang leven waard was, onze geest is schuldig. Ik heb je gedood, beklagenswaardige, die heeft bevolen dat je ’s nachts naar plaatsen vol van angst kwam, noch was ik eerder hier gekomen. O leeuwen, jullie die onder deze rots wonen, verscheur ons lichaam en eet met je woeste beet de misdadige ingewanden! Maar het is van een lafaard om de dood te wensen.”

Hij tilt de sluiers van Thisbe op en hij brengt ze met zich naar de schaduw van de afgesproken boom en hij gaf tranen, zodra hij de bekende kleding kussen gaf, zegt hij: “Ontvang nu ook een slok van ons bloed.” En hij liet het zwaard, waarmee hij gereed was, in zijn ingewanden neerkomen; noch was er oponthoud, hij trok stervend het zwaard uit de gloeiende wond. Terwijl hij op zijn rug lag op de grond, spuit het bloed hoog op, niet anders dan wanneer een buis openbarst omdat de lood beschadigd is en er heldere wateren uit een sissend gat ver naar buiten spuit en met stoten de lucht breekt. De vruchten van de boom veranderen in een zwarte kleur door het spatten van het bloed en de wortel kleurt de hangende moerbeibessen met een purperen kleur, nadat het met bloed nat is gemaakt.

Thisbe vindt Pyramus [Metamorfosen 4.128-146]

Kijk, nadat haar angst nog niet is weggelegd, komt zij terug, opdat zij de geliefde niet teleurstelt en zij zoekt de jonge man met ogen en geest en zij is enthousiast te vertellen hoeveel gevaren zij heeft overleefd. En zodra zij de plaats en de vorm in de geziene boom herkende, zo maakt de kleur van het fruit haar onzeker, zij twijfelt of dit het is. Terwijl zij twijfelt, ziet zij dat de trillende ledematen slaan op de bloederige grond en zij nam een stap achteruit en een bleker dan buxushout gezicht dragend huiverde zij net zoals de zee, die trilt, wanneer de oppervlakte licht wordt aangeraakt door een kleine bries.

Maar, nadat zij zich op een afstand houdend haar geliefden had herkend, slaat zij met hard gejammer op de onwaardige armen en terwijl zij de haren uitrukt en het geliefde lichaam omarmt vulde zij de wonden met tranen en zij mengde haar gehuil aan zijn bloed en kussen drukkend op het koude gezicht riep zij: “Pyramus, welk lot heeft jou mij ontnomen? Pyramus, antwoord! Jouw Thisbe, liefste, roept jou; luister til je liggende gezichten (gesloten ogen) op en luister.” Bij de naam van Thisbe richtte Pyramus de al door de dood zwaar gemaakte ogen op en nadat hij haar had gezien sloot hij ze weer.

Thisbe volgt het voorbeeld van Pyramus [Metamorfosen 4.147-166]

Nadat zij haar kledingstuk had herkend en de lege schede zonder zwaard had gezien zei ze: “Jouw hand en jouw liefde hebben hebben jou gedood, ongelukkige. Ik heb ook een dappere hand voor dit ene keer en ik heb ook liefde; dit zal nu krachten geven in mijn wonden. Ik zal je dood volgen en ik zal de zeer trieste oorzaak en metgezel van jouw dood genoemd worden, ach jij die door alleen de dood weggerukt kon worden van mij, je zal niet weggerukt kunnen worden door de dood. O zeer ongelukkige ouders van mij en van hem, dit moet echter uit naam van ons beide gevraagd worden, dat jullie niet misgunnen, dat wij, die hechte liefde, die het laatste uur heeft verbonden, in dezelfde grafheuvel gezet worden. Maar jij, boom, die nu met takken het beklagenswaardige lichaam van één (persoon) bedekt, spoedig zal je bedekken van twee, hou de tekens van de dood vast en heb altijd donkere vruchten geschikt voor rouw; aandenkens van een dubbel bloedvergieten.”

Ze heeft dat gezegd en zij heeft zich op het zwaard gestort, nadat zij helemaal onderaan haar borst het zwaardpunt had geplaatst, die nog warm was van het bloed. Haar wensen echter hebben de goden, de ouders geraakt; want een donkere kleur is in de vrucht, wanneer die rijp is geworden en wat over is van de brandstapel, rust nu in één urn.

Cephalus vermomt zich en stelt Procris op de proef [Metamorfosen 7.690-752]

Aurora stelt Cephalus’ huwelijkstrouw op de proef [Metamorfosen 7.690-173]

Dit wapen doet mij huilen, zoon door uit de godin, (wie zou dit kunnen geloven?) en zal dat lange tijd doen, als het lot mij zal hebben gegeven te leven; dit heeft mij met mijn lieve vrouw te gronde gericht; was ik maar altijd zonder dit geschenk geweest! Procris was de zus van de geroofde Orithyia, of als de naam Orithyia meer jouw oren heeft bereikt, als je het uiterlijk en karakter zou willen vergelijken van de twee zussen, was zij meer waard geroofd te worden. Haar vader Erechtheus verbond haar aan mij en de liefde heeft haar aan mij verbonden. Ik werd gelukkig genoemd en dat was ik. (Het werd niet zo gezien door de goden, want anders was ik het misschien nu ook.)

Een tweede maand werd doorgebracht na ons huwelijksfeest, wanneer de gouden Aurora, nadat zij de duisternissen heeft verdreven, mij ’s ochtends ziet, vanaf de top van de altijd bloeiende Hymettus, terwijl ik netten span voor geweidragende herten en zij verkracht mij tegen mijn wil. Moge ik met instemming van de godin toegestaan zijn de waarheden te vertellen: wat betreft het feit dat zij opvallend is met haar roze mond, wat betreft het feit dat zij de grenzen van het licht vasthoudt, dat zij de grenzen van de nacht vasthoudt, wat betreft het feit dat zij gevoed wordt door vloeibare nectar, ik hield van Procris. Procris was in mijn hart, ik had Procris altijd op mijn lippen. Ik bracht naar voren de heiligheid van mijn huwelijk en ons nieuwe samenslapen en ons recente huwelijk en vooral de verdragen van het verlaten huwelijksbed. De godin was bewogen en ze zei: “Beëindig jouw klagen, ondankbare, heb Procris! Maar indien mijn geest verziend is, jij zal willen nooit haar te hebben gehad.” en zij zond mij woedend naar haar.

Cephalus vermomt zich en stelt Procris’ trouw op de proef [7.714-752]

Terwijl ik terugga en met mezelf denk over wat gezegd is door de godin, begon ik angst te hebben dat mijn echtgenote het huwelijksrecht niet goed had bewaard. Haar jeugd en uiterlijk bevolen in ontrouw te geloven, haar karakter verhinderde te geloven (in ontrouw); maar toch was ik afwezig geweest, en ook zij, van wie ik terugkwam, was een voorbeeld van misdaad en wij geliefde vrezen alles. Ik besluit te zoeken, datgene waarover ik verdriet heb en met geschenken haar kuise trouw te benadrukken; Aurora steunt deze angst en zij verandert mijn gedaante (ik meen het te hebben gevoeld). Ik ga nu onherkenbaar in het aan Pallas gewijde Athene binnen en ik ga ons huis binnen; het huis zelf miste schuld en het gaf tekenen van kuisheid en het was bezorgd voor de verkrachte heer des huizes.

Met moeite is met duizend listen een toegang gemaakt naar de dochter van Erechtheus, zodra ik haar zag, verstijfde ik en ik verliet achter de voorbereide proeven van trouw; ik kon me nauwelijks inhouden dat ik ware dingen bekende, dat ik haar kussen bracht, zoals het hoorde. Zij was verdrietig (maar toch kan geen vrouw mooier zijn dan zij wanneer zij verdrietig is en zij was verdrietig door verlangen naar haar verkrachte man.) Jij, Phocus, bedenkt wat voor schoonheid in haar was, die zelfs het verdriet zo goed stond! Waarom moet ik vertellen hoe vaak haar kuise karakter mijn verleidingspogingen afwees, hoe vaak ze zei: “Ik bewaar mezelf voor een; waar hij ook is, ik bewaar het plezier met mij voor een.” Voor wie, gezond van geest, zou die proef van trouw niet voldoende groot zijn? Ik ben niet tevreden en ik vecht om mezelf te verwonden, terwijl ik afspreek dat ik een vermogen geef voor een nacht en met het vergroten van de geschenken dwong ik haar eindelijk te twijfelen. Ik schreeuw tot mijn ongeluk als overwinnaar uit: “Daar ben ik, ik de geveinsde minnaar was de echte echtgenoot; je wordt trouweloos schuldig gevonden terwijl ik getuige ben.” Zij zei niets, alleen overwonnen door een stille schaamte vluchtte zij van het verraderlijke huis en de slechte echtgenoot en zij dwaalde rond door de bergen vol afkeer van het hele geslacht van mannen met haat jegens mij, zich wijdend met de studies van Diana.

Cephalus en Procris verzoenen zich [Metamorfosen 7.747-752]

Toen bereikte een heftiger vuur bij mij eenzaam mijn botten; ik smeekte om vergiffenis en ik bekende dat ik een fout had gemaakt en ook nadat cadeaus waren gegeven onder gelijksoortige schuld had kunnen bezwijken als zulke geschenken zouden zijn gegeven. Zij keert terug naar mij nadat ik had bekend, nadat ze eerder wraak had genomen voor haar geschonden eer en zij doorbrengt zachte jaren met mij in harmonie.

Cephalus doodt Procris door misverstand op misverstand [Metamorfosen 7.794-863]

Gelukkig met Procris: dagelijks op jacht [Metamorfosen 7.794-820]

Hij sprak tot aan dit punt en hij zweeg. “Welk misdaad is in de speer?” zei Phocus; hij vertelde over de misdaden van de speer: “Vreugdes zijn de oorsprong van ons verdriet, ik zal eerst die vertellen. O het is een genoegen vermelding te maken van de mooie tijd, zoon van Aecus, waarin gedurende de eerste jaren op gebruikelijk wijze ik gelukkig was met mijn echtgenote, zij was gelukkig met haar echtgenoot! Wederzijdse liefde en echtelijke liefde had ons beide vast, zij zou de slaapkamer van Jupiter niet verkiezen boven mijn liefde, noch was er enige vrouw die mij zou kunnen pakken, als Venus zelf niet zou komen, gelijke vlammen doen onze borsten branden. Terwijl de zon de toppen (van de bergen trof met zijn eerste stralen, was ik gewoon in de bossen te gaan naar de jacht zoals jonge mannen doen en niet waren dienaren gewend met mij mee te gaan noch paarden, noch honden, scherp door hun neuzen, noch netten vol knopen; ik was veilig door mijn speer.

Wanneer mijn rechterhand genoeg had gekregen van dierenslacht, zocht ik opnieuw de koelte, schaduwen en een briesje dat uit de koude dalen ging. Een mild briesje werd door mij opgezocht midden in de hitte, ik verwachtte het briesje, zij was de ontspanning voor mijn inspanning. “Briesje” (ik herinner me immers) “moge jij komen” te zingen “en moge jij me helpen en moge jij, zeer welkome, mijn omarmingen binnengaan, en moge je de hitte verlichten, waardoor ik word verbrand, zoals je doet.”. Misschien heb ik nog meer vleiende woorden toegevoegd (zo trokken mijn lotsbeschikkingen mij) en “jij mijn grote verlangen, jij verkwikt en koestert mij. jij maakt dat ik hou van bossen deze eenzame plekken, en dat die adem van jou wordt altijd gretig opgevangen door mijn mond.”

Een misverstand: Cephalus verdacht van ontrouw [Metamorfosen 7.821-834]

Een zeker iemand luisterde naar de dubbelzinnige woorden zodat het oor misleid werd en meent dat de zo vaak geroepte naam van het briesje de naam van een nimf is, zij gelooft dat ik een nimf lief heb. De onbezonnen verrader van de verzonnen misdaad gaat naar Procris en zij brengt met fluisterende tong de gehoorde dingen over. Liefde is een lichtgelovige zaak; en plotseling nadat ze ineengestort was door verdriet viel ze neer, zoals mij verteld wordt en ze zei dat ze ongelukkig was nadat ze na lange tijd hersteld was en dat ze van een oneerlijk lot was. En ze klaagde over de ontrouw en nadat ze kwaad gemaakt is door de onware misdaad vreesde ze wat niets is, ze vreesde een naam zonder lichaam. [En ze treurt verdrietig zoals over een echte minnares]. Zij twijfelt echter vaak en zij hoopt zeer ongelukkig dat ze is misleid en zij ontkent trouw voor de aanwijzing en als zij niet zelf zal hebben gezien, is zij niet van plan te veroordelen.

Een tweede misverstand: Cephalus doodt Procris [Metamorfosen 7.835-863]

De volgende lichten van Aurora verdreven de nacht. Ik ga naar buiten ik ga naar de bossen en liggend in de grassen als overwinnaar zei ik: “kom, briesje, verlicht onze arbeid!” En plotseling scheen ik een of andere zuchten te hebben gehoord tussen mijn woorden: “kom beste”, zei ik toch. Terwijl vallend gebladerte een licht geluid opnieuw maakte meende ik dat er een wild dier is en ik wierp mijn snelle werptuig. Het was Procris en zij roept luid uit, terwijl zij een wond heeft midden in haar borst: “Wee mij!”. Zodra de stem van de trouwe echtgenote is herkend rende ik overhaastig en buiten zinnig naar de stem; ik vind haar halfdood en doordrenkte kleding bezoedelend met bloed en haar geschenk trekkend uit de wond (mijn ongelukkigheid!) en ik til haar lichaam, dierbaarder voor mij dan de mijne, met zachte armen op en ik verbind haar woeste wonden met van haar borst gescheurde kleding en ik probeer het bloed tegen te houden en ik smeek dat zij mij niet een misdadige met haar dood verlaat. Zij dwong haarzelf krachten missend en al stervend deze weinige woorden te zeggen: “Bij de banden van ons huwelijksbed en bij mijn goden en hemelse goden en goden van de onderwereld, ik smeek smekend en als ik wat van waarde ben geweest voor jou en bij de blijvende liefde, nu ook wanneer ik zal sterven, de oorzaak van mijn dood: “Laat jij niet duiden dat Aura introuwt in onze slaapkamer.”

Ze zei dat en toen wist ik eindelijk dat er een vergissing was van naam en ik vertelde het. Maar wat hielp het te hebben verteld? Zij huiverde en haar kleine krachten vluchten met haar bloed. En terwijl zij iets kan bekijken, bekijkt zij mij en in mijn ongelukkige geest en in onze mond ademt zij uit; maar zij wordt gezien met een beter gezicht onbezorgd te sterven.” De held vertelde dit huilend, terwijl men (Phocus en de andere toehoorders) huilde.

Hercules doodt Nessus, die dankzij bedrog wraak neemt [Metamorfosen 9.101-162]

Hercules’ moeizame geboorte loopt dankzij een list goed af [Metamorfosen 9.285-323]

Morpheus neemt de gedaante van Ceyx aan en bezoekt Alcyone [Metamorfosen 11.650-670]

Morpheus neemt de gedaante van Ceyx aan en bezoekt Alcyone [Metamorfosen 11.650-670]

Hij vliegt met geen geluiden makende vleugels door de duisternis en binnen een korte tijd van uitstel komt hij aan in de Thessalische stad, en nadat de vleugels van het lichaam zijn neergelegd neemt hij het uiterlijk aan van Ceyx en nadat de gedaante was aangenomen stond hij vaalbleek, gelijk aan een dode, zonder enige kleding, voor het bed van de ongelukkige; de baard van de man lijkt nat en een golf lijkt gutsend uit zijn drijfnatte haren te stromen. Toen, zich over een bed buigend, terwijl hij zij tranen uitgiet over haar gezicht zegt hij dit: “Herken je Ceyx, zeer ongelukkige echtgenote? Of is mijn beeld veranderd door de dood? Kijk eens goed. Je zult in plaats van jouw echtgenoot de schim van je echtgenoot herkennen en vinden. Jouw wensen hebben niets van hulp gebracht voor ons, Alcyone, wij zijn gestorven. Wil niet ten onrechte mij aan jou te beloven. In de Egeïsche zee overviel Auster (de Zuidenwind) wolken brengend het schip en hij sloeg met een enorme windvlaag het heen en weer geslingerde schip uiteen en tevergeefs je naam roepend vulden de golven onze monden. De onbetrouwbare zegsman bericht deze dingen jou niet, niet hoorde je deze dingen door onzekere geruchten; ik zelf vertel jouw in eigen persoon mijn lotgevallen als schipbreukeling. Sta op, handel, geef tranen en trek rouwkleding aan, zend mij niet onbeweend naar de lege Tartarus.

Alcyone met Ceyx herenigd [Metamorfosen 11.710-748]

Alcyone met Ceyx herenigd [Metamorfosen 11.710-748]

Het was ochtend. Zij gaat naar buiten naar de kust uit haar huis en zij gaat droevig opnieuw naar die plek, van waar zij had gekeken naar de gaande (haar man) die wegging en terwijl zij daar treuzelde en terwijl zij zegt: “hier maakte hij de touwen los, hij gaf mij kussen deze kust verlatend” en terwijl zij zich de gedane dingen herinnert die door de plekken in haar geheugen geprent waren en terwijl zij uitkijkt over de zee, in het heldere water op grote afstand ziet zij als het ware een of ander lichaam, en eerst was er twijfel, wat dat was, nadat een golf het dichterbij had gebracht en nadat het toch duidelijk was dat het een lichaam was, hoewel het ver weg was werd ze verontrust met een voorgevoel terwijl ze niet wist wie het was omdat het een schipbreukeling was en ze zei alsof zij een traan gaf aan een onbekende “Ach! Ongelukkige, wie je ook maar bent en ongelukkige echtgenote, als er ergens een echtgenote is voor jou.” Het lichaam gevoerd door de golven wordt dichterbij en hoe meer ze dat bekijkt hoe minder en minder is zij zichzelf wat betreft haar geest en ze ziet al het naar het dichtstbijzijnde land bewogen lichaam, wat zij al kon herkennen: het was haar echtgenoot. “Hij is het” schreeuwt zij en tegelijkertijd verscheurt zij haar gezicht, haar en kleding en ze zegt terwijl ze haar trillende handen uitstrekt naar Ceyx: “zo o liefste echtgenoot, zo keer je terug naar mij, beklagenswaardige?”

Een dam ligt naast de golven gemaakt met de hand, die de eerste woedeaanvallen van de zee breekt en die het binnenstromen van de wateren van tevoren vermoeit. Zij springt hierop en het was verrassend dat zij dat had gekund; zij vloog en terwijl zij met zojuist gegroeide vleugels de lichte lucht sloeg streek zij droevig langs de hoogste van de golven en terwijl zij vliegt, haar krassende bek met een dunnen snavel maakte een geluid gelijkend op gejammer. Zodra zij echter het stille lichaam zonder bloed had aangeraakt, nadat zij de geliefde ledematen omhelsd had met nieuwe vleugels gaf zij tevergeefs koude kussen met haar harde snavel.

Fama [Metamorfosen 12.39-63]

Handige links

Online woordenboek Latijn Nederlands

Syllabus Latijnse Taal en Cultuur 2023

Er zijn 6 reacties op dit artikel

Geef een reactie!

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Hoi, leuk dat je er bent! Tipsvoorschool.nl maakt gebruik van cookies

X